Het ontstaan van Hijken
Hijken wordt als dorp voor de eerste keer in 1370 in een oorkonde
vermeld.
Uit prehistorische vondsten blijkt, dat het dorp ver vóór die tijd
bestond.
Overal in de omgeving van Hijken zijn sporen gevonden van jagers,
vissers en boeren, die hier leefden in préhistorische tijden, ver voor
de Christelijke jaartelling.
Uit alle perioden van de vroegste geschiedenis van de mens werden
stenen werktuigen aangetroffen.
Deze periode wordt de Steentijd genoemd.
De technieken van de steenbewerking maakten bepaalde ontwikkelingen
door.
Op grond daarvan is de Steentijd verdeeld in:
a. het Paleolithicum -de Oude Steentijd

b. het Mesolithicum -de Midden Steentijd
c. het Neolithicum -de Jonge Steentijd.
Sporen van
de Steentijdmens in het Hijkerveld.
Hoewel reeds half december 1818 de schulte, de gemeenteontvanger, de
predikant en assessor J.B. Vredeveld, zelf Hijker boer, op onderzoek
gingen naar 'gedenkstukken of oudheden' in het Hijkerveld, werd deze
zaak pas professioneel aangepakt vanaf de jaren dertig. De grote
pionier voor Drenthe en ook voor Hijken, was A.E. van Giffen van het
Biologisch Archeologisch Instituut te Groningen.
Zijn belangstelling ging echter meer uit naar urnenvelden en
grafheuvels dan naar de vuurstenen werktuigen uit vroegere eeuwen. Dit
laatste bleef lang het terrein van de 'vrijetijdsonderzoekers'. Buiten
de toevallige vondsten werd ook veel vuursteenmateriaal gevonden in de
tumuli (= grafheuvels). De oudste vondst in het Drents Museum
dateert van 1884 en bestaat uit hunebedvaatwerk van de
Trechterbekercultuur .
Vanaf 1930 stroomden de vondsten binnen, met pieken in de jaren
1970,1975 en 1985. Het vuursteenmateriaal, zowel uit de Midden- als de
Jonge Steentijd, bestaat onder meer uit: blokken, schrabbers,
sikkelmesjes, afslagen, spitsen, klingen, klopsteen, wet- steen, hamer-
en bijlfragmenten.
De gevonden scherven zijn vaak mooi versierd met touw- en
visgraatmotieven.
De vele honderden vondsten maken een gedetailleerde opsomming
vrijwelonmogelijk. De meeste vondsten zijn gedaan in het Hijkerveld ten
noorden van de Leemdijk, bij Diependal, uit de grafheuvels bij huize
Hooghalen en verder ten westen van de Prairiehoeve, ten noordoosten van
het Oranjekanaal, ten oosten van Kortewegsbos, in het oostelijk deel
van het Noord-Hijkerzand, in nederzettingen ten noordwesten van Hijken
en eveneens in het Zuid-Hijkerzand. Alle vondsten zijn nog lang niet
geïnventariseerd, maar ze getuigen van de aanwezigheid van de
Steentijdmens lang geleden in de onmiddellijke nabijheid van Hijken.
De IJstijden
De bodem, die door de Steentijdboeren werd bewerkt, is grotendeels
gevormd in de perioden van de ijstijden. De landijsbedekkingen legden
toen het fundament voor het huidige Drentse landschap. Het landijs liet
talrijke sporen achter in de vorm van keileemruggen, smeltwaterdalen
(later bedekt met hoogveen), zwerfstenen en keileem (leem met stenen)
als grondmorenen bij het afsmelten van het ijs.
Dat landijs bestond uit enorme gletsjers, afkomstig uit Scandinavië,
die in bepaalde perioden grote delen van Europa bedekten.
De oudste IJstijd is de Elster-IJstijd met smeltwaterafzettingen van
fijn zand en klei. De IJstijden duurden tienduizenden jaren en werden
onderbroken door minder koude perioden. In de Saale-IJstijd was deze
streek met ijs bedekt. Toen het landijs smolt, bleef een laag keileem
als grondmorene achter. In latere tijden kwamen bij het ploegen steeds
veel stenen naar boven. De Hijker boeren gebruikten deze vroeger voor
erfverharding. Met het leem werd de dorsvloer, de deel, aangestampt.
Onder het keileem ligt fijn zand, gedeeltelijk uit de Elster-ijstijd en
gedeeltelijk uit het begin van de Saale-ijstijd. Na de Saale-ijstijd
volgde het Eemien, een periode met een warmer klimaat. Het landijs
smolt, de grondwaterspiegel steeg en de zee drong ver het land in. Het
keileem verweerde aan de oppervlakte tot keizand.
Na het Eemien werd het weer kouder en volgde de Weichsel-ijstijd. Het
landijs kwam nu niet zo ver in zuidelijke richting.
Tegen het einde van de Weichsel-ijstijd, ±13.000-8.300 voor Chr .
bestond Drenthe uit verweerde, uitgespoelde keileemvlakten, bedekt met
keizand en brede dalvlakten met beken. Hetklimaatwerd droger . Het
keizand en de beekzanden werden door de wind weggewaaid en elders weer
neergezet.
Het keileem werd met dekzand bedekt. Aan het einde van de ijstijd was
Drenthe een toendra met rendieren en rendierjagers. In deze tijd
ontstonden in het dekzandlandschap de meren, venen en dobben, waarin
het water zich verzamelde. Het waren voor een deel pingoruïnes,
meertjes, die ontstaan zijn na de dekzand vorming. Een pingo is een
heuvel met een kern van ijs. Bij het afsmelten van de ijskern gleden de
bedekkende aardlagen omlaag en bleef er een komvormig diep meertje
over.
Het Hijkermeer is een voorbeeld van zo'n pingorestant.
Met het zachter worden van het klimaat, ca. 10.000 jaar geleden, kwam
er een einde aan de laatste ijstijd en namen berken en kraaiheide,
later bossen, definitief de plaats in van de toendra's.
Door het vele smeltwater steeg de zeespiegel, waardoor de afwatering
stagneerde. In de dalen en op de vlakke delen ontstond nu moeras- en
bosveen, dat overging in hoogveen. Met het vochtiger worden van het
klimaat, 7000 jaar geleden, breidde dit hoogveen zich enorm uit. Ook de
bossen breidden zich uit, met berken, dan dennen en daarna bomen als
eik, iep, linde en els. De laatste vooral in de natte streken.
De rendieren trokken met de toendra mee naar het noorden. Boswild zoals
edelhert, ree, everzwijn, wildpaard en pelsdieren zoals beer en lynx
konden hier leven. De jagersvolken pasten zich aan.
Ze hoefden nu niet meer achter de kudden aan te trekken, maar hadden nu
een eigen jachtgebied met standwild.
De Bronstijd
ca. 2000-750 voor Chr.
Ongeveer 4000 voor Chr. werd reeds incidenteel zuiver koper voor
werktuigen en gereedschappen gebruikt. Dit materiaal was echter voor
het zware werk te zacht. Later ontdekte men, dat koper met arsenicum
kon worden gehard. Dat was ongeveer 3000 voor Chr.
De Klokbekermensen werkten met arsenicumbrons. Het echte brons kwam ±
2100 voor Chr. uit een samensmelting van koper en tin. Metalen
werktuigen gingen nu overheersen.
Er was een ontwikkeling van vlakbijl, rand- en hielbijl naar kokerbijl;
een gestage technische vooruitgang. Ook de stenen wapens werden
geleidelijk door metalen vervangen, er kwamen bronzen zwaarden en
speerpunten. Bronsgieters trokken rond. Alle culturen kenden
handelscontacten, die langs bepaalde wegen verliepen. Ook de ligging
van grafheuvels en urnenvelden doen wegenstelsels vermoeden.
De Leemdijk in het Hijkerveld is bijvoorbeeld zo'n oude weg, die
teruggaat tot in de Steentijd.
Men neemt aan, dat er naast import van bronzen werktuigen en wapens,
deze lokaal vervaardigd werden, waarvoor de grondstoffen werden
geïmporteerd.
In de Bronstijd werden aanvankelijk de grafheuvelculturen uit de
bekertijd voortgezet. In de late Bronstijd werden ze vervangen door
urnenvelden. De grote verschillen in grafgiften wijzen op verschillen
in sociale status. Hoewel stenen werktuigen nog lang in gebruik bleven,
bood brons veel voordelen boven steen.
Het brak minder snel en maakte meer vormen mogelijk. De daarmee gepaard
gaande bewapening vergrootte de standsverschillen.
In de Vroege Bronstijd, ±: 2000-1800 voor Chr., werd het vee 's winters
in stallen gehouden.
De in Hijken gevonden boerderijplattegronden zijn alle van gelijke en
geringe grootte.
Naast de nederzetting bij Hijken werden sporen gevonden van een
omheining.
Het vee werd vermoedelijk binnen deze omheining gehouden en pas 's
winters in de boerderijen gestald. Deze boerderijen waren rechthoekig
met een gecombineerd woon- en bedrijfsgedeelte.
Het vee van de bronstijdboer bestond uit runderen, schapen, geiten en
varkens.
De grond, die geschikt was voor landbouw, werd zo intensief gebruikt,
dat ze volledig uitgeput raakte en er zandverstuivingen door
ontstonden. Permanente bewoning was nog niet
mogelijk. De nederzettingen verplaatsten zich binnen de territoria en
keerden geregeld op de oude plaatsen terug. De akkertjes lagen op de
zandruggenen waren vierkant van vorm.
Ze werden bewerkt met het eergetouw, dat door ossen werd getrokken. Er
werd emmertarwe, gerst en lijnzaad verbouwd. Els en wilg dienden als
bouwhout. In de loop van de Bronstijd kwam het accent te liggen op de
veeteelt. Het hooi werd gehaald uit de moeraslanden en op de
braakliggende akkers graasde het kleinvee. Akkerbouwen veeteelt
beperkten zich tot de goed ontwaterde hoge gronden. In de dalen
handhaafde zich het oerbos.
Tegen het einde van de Late Bronstijd, ca.: 1200-750 voor Chr . moeten
de Celtic fields zijn ontstaan}
Vondsten in
de omgeving van Hijken uit de Bronstijd.
Ten noorden van de Leemdijk werd een scherfje gevonden met wikkeldraad
versiering, verder keramieken maalstenen uit de Vroege Bronstijd. In
1937 vond men in tumuli (grafheuvels) bij Diependal veel urnen, bronzen
pijlpunten en bronzen spinsteentjes. Er werden ook fragmenten gevonden
van bronzen sieraden, zoals een paar armrirngen van brons. Reeds in
1921 waren in het veentje 'Het Lage Meer' twee bronzen versierde
halsringen gevonden.
In 1953 werd door Van Giffen in het Hijkerveld een graf uit de Midden
Bronstijd (1800-1200 voor Chr.) gevonden, met bronzen pennen-
pijlpunten, spitsen, bronzen naalden en een bronzen randhielbijl.
Daarnaast bevatte het graf crematieresten. Van Giffen ontdekte ook
zeven bronstijdheuvels ten noordwesten van huize Hooghalen.
In 1970 werden rijke vondsten gedaan in vier grafheuvels uit de
overgangsperiode Bronstijd/IJzertijd op een heideterreintje in het
Noord-Hijkerzand. Deze bevatten een groot aantal bronzen voorwerpen,
aardewerk, steen en vier spitsen uit de Laat Neolithische of Vroege
Bronstijd. Ook deze vondsten zijn nog niet alle geïnventariseerd.
In 1973 vond men in het Hijkerveld ten noorden van de Leemdijk
keramiek, klop-, wrijf- en maalstenen en houtskoolresten uit de Brons-
en Voorromeinse IJzertijd.
De IJzertijd
vanaf ca. 700 voor Chr.
Ongeveer in 700 voor Chr. ging de Bronstijd over in de IJzertijd. Men
raakte toen bekend met het smelten en vormen van ijzeren
gereedschappen. In tegenstelling tot koper en tin was ijzererts
(ijzeroer) in ons land tamelijk ruim beschikbaar. Naast een lokale
ijzerproduktie werden nog veel ijzeren voorwerpen geïmporteerd. Het
gebruik van de bodem in de IJzertijd werd gekenmerkt door het systeem
van de Celtic fields, lange stroken grond, verdeeld in kleine akkertjes
van 40 bij 40 meter.
In het Hijkerveld lag een uitgestrekt Celtic field. Tijdens
de ontginning werden grafheuvels opgegraven, maar er werd geen aandacht
besteed aan het Celtic field.
In de jaren 1969-1974 kon men in het Hijkerveld, naastvier grafheuvels,
nog vier hectare van het reeds ontgonnen Celtic field onderzoeken. Het
totale Celtic field was 1850 bij 750 meter groot.
De veldjes waren alle loodrecht op de Leemdijk aangelegd. Elke boer had
een strook grond van enkele honderden meters lang, die door dwarse
scheidingen in vierkante perceeltjes werden verdeeld.
De veldjes dienden als akker, maar ook als weidegrond en huisplaats. Op
de plaats van de walletjes werden in het Hijkerveld ook sporen van
omheiningen gevonden. Die dienden vermoedelijk als veekering en om
verstuiving van het akkerland tegen te gaan. De ondergrond bestond uit
stuifzand, dat een bouwland met sporen van verdwenen bronstijdhuizen
overdekte en daaronder vond men nog graven uit de Steentijd.
Het Hijkerveld is eeuwenlang bewoond geweest. Opgegraven IJzer-
tijdnederzettingen hebben geleid tot de reconstructie van een
préhistorische boerderij in het museumdorp Orvelte.
Men heeft door middel van opbrengstberekeningen vastgesteld,dat
jaarlijks op 25 veldjes gewassen werden verbouwd. De overige lagen
braak en werden gebruikt voor beweiding.
Bij nieuwbouw verplaatste men de boerderijen naar een uitgeput veld en
werd het oude erf als goed bemeste akker in gebruik genomen. De Celtic
fields waren geen ontginningen van bos, maar vormden een nieuwe
landindeling, mogelijk gemaakt door het gebruik van ijzeren
gereedschap.
De haakploeg bleef nog wel in gebruik, maar werd steeds verbeterd. De
boeren verbouwden emmertarwe, gerst, dederzaad en vlas.
Vanaf de Midden IJzertijd gebruikte men voor het malen van het graan
maalstenen van basaltlava. In de Vroege en Midden IJzertijd
verplaatsten de nederzettingen zich in kleine groepen door een Celtic
field.
Pas in de late IJzertijd kregen ze een semi-permanent karakter.
In de Romeinse tijd (50 voor Chr.- 450 na Chr.) werden de
nederzettingen verplaatst en de Celtic fields verlaten. Daar ijzer
vergankelijker is dan brons, zijn niet veel ijzeren voorwerpen bewaard
gebleven.
De begrafenisgewoonten veranderden ook. De urnenvelden uit de late
Bronstijd lopen door tot in de vroege IJzertijd. Daarna werden de
brandplaatsen zelf met aarde en met plaggen bedekt en ontstonden de
brandheuvels.
De meeste sporen van bewoning in de IJzertijd werden weer gevonden in
het Hijkerveld ten noorden en zuiden van de Leemdijk en in de tumuli.
Ze bestaan grotendeels uit het toen gebruikte aardewerk. In 1937 werd
een peervormig urntje uit de Vroege IJzertijd gevonden. In 1953 in een
tumulus een sterk geoxydeerd ijzeren voorwerp. In een afvalkuil uit de
Voorromeinse IJzertijd vond men in 1968 een groot aantal scherven van
gladwandig aardewerk. Scherven van aarde- werk uit de Voorromeinse
IJzertijd, zoals een schaal, een kling en een bijl, kwamen in 1972
boven de grond. Een jaar later werden nederzettingssporen uit Brons- en
Voorromeinse IJzertijd met keramiek, klop-, wrijf- en maalstenen en
houtskoolresten gevonden.131
De Romeinse tijd, ca. 50 voor Chr. -500 na Chr. De komst van de
Romeinen bracht een reeks vernieuwingen mee. Er kwamen andere gewassen,
beter gereedschap en er werd vruchtwisseling toegepast.
De boerderijen werden groter gemaakt met schuur en waterput. De
Romeinen importeerden veel aardewerk en gebruikten een muntstelsel. De
Celtic fields werden nu verlaten, ook het grote Celtic field in het
Hijkerveld.
Bepalend voor de plaats van een dorp was de ligging en gesteldheid van
het akkerland.
Zodra dat ongeschikt was geworden, werd de boerderij verplaatst naar
het nieuw ontgonnen land.
Dorp en akkerland lagen dicht bij elkaar .
Nederzettingsvondsten uit de Romeinse tijd zijn dicht bij Hijken
gevonden. Sporen uit de Vroege Middeleeuwen vinden we verder zuidelijk
op de es. Daar lag ook een grafveld uit die tijd.
Het huidige dorp Hijken ligt dus kennelijk midden tussen zijn
voorgangers.
Aanvankelijk verbouwde men emmertarwe en gerst. In de Vroege
Middeleeuwen ging de rogge overheersen en werd de emmertarwe door dit
gewas vervangen. Al het akkerland werd omheind met palissaden of
vlechtwerk. De Celtic fields werden nog voor beweiding gebruikt, maar
raakten langzamerhand met heide en bos begroeid.
In de Romeinse tijd werden geen grafheuvels meer aangelegd. De
verbrande resten van de dode werden in een kuil in de grond geplaatst.
In de vierde eeuw stopte de lijkverbranding en werd het lichaam in een
kist in een kuil bijgezet. De graven met bijgiften lagen meestal in
rijen, eerst noord-zuid, later, in de Christelijke tijd, oost-west. In
de 7de en 8ste eeuw werd de lijkverbranding weer toegepast.
De grafvelden hebben geen zichtbare sporen achtergelaten, zodat ze
slechts bij toeval ontdekt konden worden. In enkele kuilen vlakbij
Hijken werden crematieresten en houtskool gevonden, daterend uit de
Romeinse tijd!
De Middeleeuwen, ca. 500-1500 Na het vertrek van de Romeinen volgde een
periode van grote verwarring. Tijdens de Volksverhuizingstijd (6de en
7de eeuw) zijn veel volksstammen op drift geraakt.
Er kwamen hier ook 'kolonisten' , maar door slechte ontwatering is de
veen vorming zodanig toegenomen, dat het bewoonbare deel van Drenthe
kleiner en geïsoleerder raakte.
In 1921 werden twee versierde halsringen uit de
Volksverhuizingstijd gevonden in 'Het Lage Meer' .
In 1957 werden bij een onderzoek door het BAl veel kralen, ijzeren
messen, bronzen voorwerpen en organische resten uit de
Volksverhuizingstijd gevonden op de Hijker es ten zuiden van Hijken, in
het land van Jan Geerts 'De Steenhaar'. Een rijengrafveld uit de Vroege
Middeleeuwen bevatte veel kralen en aardewerk als bijgiften.
In de Karolingische tijd (8ste -9de eeuw) kregen de akkers een
permanent karakter.
Rond de akkers werden wallen opgeworpen en met bos beplant. Aan de
heidekant werden die bossen door grazend vee afgevreten en ontstonden
de strubben (= kreupelhout, hakhout).
De bossen in de beekdalen werden in toenemende mate als wei- en
hooiland in gebruik genomen.
Op het veld groeide de heide. Daar verhinderde beweiding met runderen,
schapen en geiten de herbebossing. Door afbranden en plaggensteken
ontstonden grote zandverstuivingen.
De voornaamste cultuurgewassen in de Late Middeleeuwen waren rogge,
gerst en haver, vermoedelijk geteeld in wisselbouw. Ook werden
sporadisch peulvruchten verbouwd.
Na de 9de eeuw werden de ossen voor de ploeg vervangen door paarden. De
ploeg werd verbeterd door verwisselbare ijzeren punten, die diepe voren
in het land trokken. De akkers werden nu langer.
De es ontstond. In het bestaande land moesten eigendomsrechten en wegen
worden gerespecteerd.
De straalvormige perceelindeling van na de Vroege Middeleeuwen hing
samen met de bevolkingsgroei in de 12de en 13de eeuw. Deze groei was
ook oorzaak van een ontginningsgolf. De bestaande essen werden
uitgebreid en er trad een verschuiving op van veehouderij naar
akkerbouw.
De ontginningsgolf ging gepaard met een technische ontwikkeling, de
omkeerploeg. In dezelfde periode gingen de gezamenlijke buren van de
esdorpen door de toename van de bevolking de rechten op de resterende
woeste gronden verdelen. De rechten van de volle erven op de niet
bewerkte grond werden vastgesteld (het waardelen stelsel).
Kampontginningen ontstonden buiten de oude esdorpen.
Op de lijst van namen van esakkers in Hijken komen nogal wat kampen
voor als de Barnkampen, de Molenkampen, de Reikampen, de Noordkamp enz.
De schapenhouderij kwam op en er was een begin van plaggenbemesting.
Goede en slechte tijden wisselden elkaar af. In betere tijden volgde
een beperkte uitbreiding van de es. Het systeem van waardelen beperkte
echter de toegang tot de grond.
Pas na de 19de eeuwse markescheidingen, voor Hijken vanaf 1841, volgde
een nieuwe golf van ontginningen. In 1944 schonk Otto I het ,
foreestrecht in Drenthe aan de bisschop van Utrecht.
Dit foreestrecht bestond uit een jachtrecht, maar hield tevens het
beheer en de beschikking in over de woeste gronden. Die gronden waren
door de boeren al voor een groot deel in gebruik als weidegrond voor de
schapen, voor het steken van plaggen en het hakken van hout.
De vergoeding voor dit gebruik werd 'afgekocht' door invoering van een
belasting in natura ten gunste van de bisschop.
In 1370 wordt Hijken officieel in een oorkonde vermeld als de Rijker
boeren moeten getuigen in een geschil omtrent de herbergplicht van de
hof te Halen. Dat deden ze op 15 januari 1370.
In de 16de eeuw spreekt men van eigen erfden voor eigenaren van volle
erven.
Een vol erf was 32 Groninger mudden of 8,6 ha. De buurschap is het hele
dorp, met inbegrip van horigen(beheerders van kerkelijke of adellijke
goederen), de meiers (pachters) en alle gronden, die samen de marke
werd genoemd. De gemeenschappelijke gronden heetten de boermarke.
De es was de grond voor akkerbouw, omwald en in percelen verdeeld.
Elk dorp regelde door willekeuren de plaatselijke belangen, zoals de
gebruiksrechten op gemeenschappelijke grond en de gemeenschappelijke
gebruiksrechten op particuliere gronden.
Veeteelt en akkerbouw waren nog voor het grootste deel afgestemd op de
eigen behoefte.
Daarbij stond roggebouw van zomer- en winterrogge centraal. De mensen
aten zelfgebakken brood van roggemeel, verder pap en kool. Ze dronken
daarbij vooral bier en (karne )melk.
De veestapel bestond uit koeien, ossen, paarden en veel schapen. Het
aantal schapen bleek zo groot, dat er paal en perk aan moest worden
gesteld. In 1563 werd voor Hijken het toegestane maximum aantal schapen
bepaald op 70 per huis.
De eigenerfde boeren vormden de bovenlaag van het dorp. Verder waren er
keuters en meiers.
De huizen werden in de 16deeeuw hoofdzakelijk gebouwd van leem en stro,
deze materialen waren dicht bij de hand.
De ruimte voor het vee was niet apart van de woonruimte afgescheiden:
het hallehuistype of 'los hoes' .
(bron:
Fragmenten uit de dorpsgeschiedenis)